KENNISCENTRUM SOCIALE INNOVATIE BEN FRUYTIER (1950 - 2014) LECTOR ORGANISATIECONFIGURATIES EN ARBEIDSRELATIES

Weg met tweedeling hoger onderwijs!

Fruytier, B., Weg met tweedeling hoger onderwijs! In: Trajectum, magazine van de Hogeschool Utrecht, 17 september 2009

De tweedeling in het hoger onderwijs met hogescholen en universiteiten heeft zijn tijd gehad. We moeten ons bezinnen op een stelsel dat beter past bij de huidige eisen, concludeert lector Ben Fruytier in een reactie op de lezing van Paul Schnabel tijdens de jaaropening.

De vele mooie observaties, de onderbouwing met onderzoeksdata, de rake metaforen, Paul Schnabel boeit zijn gehoor als hij een lezing geeft. Dat kan zo ver gaan dat je bijna bedwelmd raakt, zodat de kwintessens van het verhaal je ontgaat. Nu ik zijn lezing van 27 augustus in alle rust nog eens lees, valt mij op dat Schnabel op een heel vriendelijke manier de noodzaak van het voor het Nederlandse hoger onderwijs zo kenmerkende onderscheid tussen hogeschool en universiteit volledig ondergraaft.

Ik weet niet of dat expliciet zijn bedoeling was, maar het is onvermijdelijk deze conclusie te trekken in een week waarin Plasterk zijn toespraak ter gelegenheid van de opening van het academische jaar bij de UTwente aangrijpt om het heilige HO-huisje ter discussie te stellen. Plasterk heeft een heel relevant discussiepunt aan de orde gesteld en Schnabel heeft met zijn toespraak voor de Hogeschool Utrecht alvast een eerste bijdrage aan die discussie gegeven. Ik wil dat laten zien door zijn toespraak aan een nadere analyse te onderwerpen.

Schnabel begint zijn betoog over de identiteit van de hbo-professional met de opmerking dat de hogescholen in de korte tijd dat zij bestaan, nog op zoek zijn ‘naar een nadere bepaling van hun relatie tot de universiteit’. Blijkbaar zijn de al eeuwen bestaande universiteiten een belangrijke zo niet de belangrijkste referentie voor de identiteit van de hogescholen. Of dat het geval is, daar kun je je vragen bij stellen, maar het gaat mij om de wijze waarop hij universiteit en hogeschool ten opzichte van elkaar identificeert.

Kijkend naar de universiteiten wijst Schnabel ten eerste op het Bildungs-karakter van de universitaire opleiding. Dit aloude ideaal van de Humboldt-universiteit is echt ‘des universiteits’. Hogescholen kennen dat niet. Ten tweede wijst hij op haar rol bij de vorming van professies: ‘de universiteit is geen plaats die “professionals” wil opleiden, maar behalve voor de algemene vorming ook verantwoordelijk is voor de toekomst van de professies’. Hij illustreert dat door te laten zien dat het begrip hbo-professional deel uitmaakt van onze taal, maar zoiets als een ‘uni-professional’ niet bestaat.

Vervolgens constateert hij dat beide kenmerken eigenlijk niet meer gelden. Het oude Bildungs-ideaal ‘is een mythe’. En aansluitend op zijn betoog over de universitaire professies concludeert hij dat veel universitaire studies niet tot een professie opleiden en veel hogeschool-opleidingen juist wel: ‘het hbo draagt verantwoordelijkheid voor de opleiding van heel wat professies en paraprofessies’.

In zijn zoektocht naar de identiteit van de hbo-professional maakt Schnabel vervolgens een onderscheid tussen de klassieke (= universitaire) professies, bijvoorbeeld de arts of de notaris, en de hbo-professies, bijvoorbeeld de verpleegkundige. Laatstgenoemde voegt zijn ‘kennis en ervaring ( ) in de gegeven organisatie waar hij voor werkt en in de functie waarin hij werkt’. Hij is een professional binnen een organisatie. Bij de klassieke professies ligt dat anders. Een ziekenhuis is georganiseerd om het artsenberoep. De artsen bepalen zelf hun context. Die onafhankelijkheid symboliseren zij door geen arbeidsrelatie met het ziekenhuis te hebben maar deel uit te maken van een maatschap.

Een mooie waarneming. Twee regels verder moet hij constateren dat ook die waarneming niet helemaal in overeenstemming is met de werkelijkheid van nu: ‘In de huidige tijd zijn de verschillen tussen professies en professionals overigens veel minder groot dan ze in het verleden waren’. Professies zijn aan het functionaliseren. Artsen bijvoorbeeld treden in loondienst. Professionele verantwoordelijkheid wordt meer en meer gedeeld in teams met medewerkers die niet tot de professie behoren. En andersom neemt de autonomie van de hbo-professionals toe en wordt van hen steeds meer reflectieve deskundigheid verwacht, een kwalificatie die in menig curriculum van een universitaire opleiding als primair doel is geformuleerd. Wederom een indirect pleidooi om afscheid te nemen van het onderscheid universiteit-hogeschool.

In zijn uiteenzetting over de versterking van de identiteit van de hbo-professional aan het einde van zijn inleiding roept Schnabel de universiteiten expliciet op om zich meer te gaan oriënteren op gebieden die om een hoogwaardige beroepsmatige uitoefening in Nederland vragen en ‘dat is echt iets anders dan de oriëntatie op publicaties in internationale wetenschappelijke tijdschriften’. De hogescholen van hun kant moeten (nog) meer aandacht aan reflectie en onderzoek besteden.

De boodschap is – heel vriendelijk gebracht - duidelijk: het binaire stelsel in het hoger onderwijs heeft zijn tijd gehad. Het is in de ontwikkeling die het hoger onderwijs de laatste decennia heeft doorgemaakt een anomalie geworden die enorm veel geld kost en niet productief is. Verreweg de meeste opleidingen op de universiteiten leiden studenten voor de beroepspraktijk op en dat is gezien de vraag op de arbeidsmarkt niet meer dan normaal. Veel curricula zijn daar echter niet op ingesteld. Zij zijn gericht op de master-student als potentieel wetenschappelijk onderzoeker en niet als reflective practitioner.

In het hbo zullen diezelfde maatschappelijke ontwikkelingen niet langer het aanleren van beroepsvaardigheden vragen die als een soort ‘trucjes’ in de praktijk gebruikt moeten worden. Meer dan ooit tevoren zal naast het verwerven van kennis en vaardigheden aandacht moeten komen voor de specifieke context waarbinnen de kennis en vaardigheden aangewend moeten worden: de hbo-professional als reflective practitioner.

Hoe het nieuwe stelsel eruit zou moeten zien valt niet op voorhand te zeggen. Plasterk heeft in zijn eerder aangehaalde rede heel voorzichtig de mogelijkheid van een vierdeling geopperd. Over de voor- en nadelen van deze vierdeling zal hopelijk een uitgebreide discussie losbarsten, want de oude tweedeling heeft, zoals Schnabel liet zien, zijn tijd gehad en we moeten ons bezinnen op een hoger onderwijsstelsel dat beter past bij de huidige eisen.

Ben Fruytier is lector bij het Kenniscentrum Sociale Innovatie van de faculteit Maatschappij en Recht 

Meer publicaties