KENNISCENTRUM SOCIALE INNOVATIE BEN FRUYTIER (1950 - 2014) LECTOR ORGANISATIECONFIGURATIES EN ARBEIDSRELATIES

Persoonlijk profiel Ben Fruytier

Veranderingen in organisaties: het is een onderwerp dat me al sinds jaar en dag intrigeert. Je ziet dat er dingen misgaan, dat er iets moet gebeuren en hoe, maar toch lukt dat steeds maar niet. Hoe komt dat? Wat maakt het zo moeilijk om te veranderen? En vooral: wat kunnen we daaraan doen? Dat zijn in de kern de onderzoeksvragen waar ik me als lector en universitair hoofddocent mee bezighoud. Ik richt me daarbij zowel op de effectiviteit en efficiëntie van organisaties, als op de kwaliteit van het werk voor hun medewerkers.

In 1994 promoveerde ik met het proefschrift Organisatieverandering en het probleem van de baron van Münchhausen. Daarin stond de paradox centraal van de organisatie die wil veranderen, terwijl het gebrek aan verandervermogen juist de kern van het probleem is. Veranderen vraagt om lerende organisaties. Maar hoe leer je een organisatie die heel moeilijk kan leren, een lerende organisatie te worden? En wat voor rol kan een externe adviseur daarbij spelen? Mijn ervaring is dat hij zijn werk alleen goed doen door distantie te bewaren: door op enige afstand naar de situatie te kijken, mensen aan het denken te zetten en net op het juiste moment de juiste kennis en hulpmiddelen aan te reiken. Die kennis en hulpmiddelen betreffen nooit het veranderen zelf; dat is aan de organisatie. Het gaat erom de voorwaarden te scheppen waaronder verandering tot stand kan komen.

Meer autonomie op de werkvloer

Een belangrijke verbetering die ik in de loop van de jaren heb gezien is de toename van de autonomie op de werkvloer. Medewerkers komen het best tot hun recht wanneer zij de ruimte krijgen om hun werk zelf te regelen. Dat vraagt om vertrouwen en betrokkenheid van alle leidinggevenden. In een cultuur die van oudsher gebaseerd is op wantrouwen en afstand, is dat een hele omslag. Die omslag gaat gepaard met een hrm-beleid dat het beste uit de medewerkers haalt. Een beleid dat gericht is op hun ontwikkeling, op teamwork en op coachend leiderschap.

Hrm op universiteiten
Als het gaat om hr-management gaat mijn aandacht vooral uit naar organisaties waar veel relatief hoog opgeleide professionals werken. Dat is begonnen met een project voor het ministerie van OCW, waar ik van 1990 tot 1995 gewerkt heb. Doel van dat project was om hr-management te ontwikkelen voor (semi-)publieke onderzoeksorganisaties, zoals TNO, DLO, onderzoeksinstituten van NWO en KNAW en vooral de universiteiten. Daar was de ontwikkeling van hrm hard nodig. In de loop van de afgelopen twintig jaar is er gelukkig veel ten goede veranderd. Samen met Marian Thunnissen van de Hogeschool Utrecht en Marieke van den Brink van de Radboud Universiteit heb ik in 2009-2010 onderzocht hoe universiteiten hun talentvolle onderzoekers binden en boeien. Inmiddels is Marian Thunnissen bezig met de afronding van haar proefschrift over talentmanagement, dat mede op dit onderzoek gebaseerd is.

Hrm op hogescholen
Sinds ik lector bij de HU geworden ben, ben ik ook betrokken geraakt bij de ontwikkeling van hrm binnen hogescholen. De laatste jaren heb ik samen met mijn collega Rob Gründemann als adviseur en onderzoeker gewerkt aan het project ‘Focus op onderwijs in de professionele ruimte’  van de Hogeschool Utrecht. Dit project is in het leven geroepen als reactie op het rapport van de commissie Gispen, dat als belangrijkste conclusie had dat de regelruimte weer gelegd moest worden bij de docenten. Enthousiast hebben docenten gewerkt aan de ontwikkeling van teams waarin zij gezamenlijk verantwoordelijk werden voor het onderwijs. Helaas heeft het project ook laten zien hoe moeilijk het is om vertrouwen neer te leggen bij de docenten. De welhaast vanzelfsprekende neiging van het centrale management om te controleren en niet los te laten, werkt contraproductief op de resultaten van het project.

Hrm in de ouderenzorg
Naast het onderwijs heeft ook de zorg sinds een aantal jaren mijn aandacht. Zo hebben we in 2013 een groot project afgerond bij BrabantZorg, gericht op de ontwikkeling van een nieuw zorgorganisatiemodel. Min of meer in het verlengde hiervan zijn we in 2013 gestart met het project ‘Ondernemend werknemerschap’, in opdracht van de cao-partijen in de VVT-sector. Doel van dit project is te experimenteren met nieuwe arbeidsrelaties in de ouderenzorg, die voor de medewerkers aan de ene kant de flexibiliteit bieden van het zelfstandig ondernemerschap, en aan de andere kant de zekerheid van een vast dienstverband. Dit project voeren we uit met het onderzoeksinstituut ReflecT van de Universiteit van Tilburg. Het bestaat onder andere uit een brede literatuurstudie, interviews met een groot aantal deskundigen en een experiment bij drie zorginstellingen. Deze instellingen gaan vrijuit experimenteren met ondernemend werknemerschap, waarbij zij de mogelijkheid krijgen om in goed overleg af te wijken van de huidige cao. Wij volgen het experiment van nabij en meten de resultaten ervan. Die presenteren we in 2015.
 
Versterking van het Kenniscentrum Sociale Innovatie
Tot slot zet ik me in voor de verdere versterking van het Kenniscentrum Sociale Innovatie (KSI), waar mijn lectoraat toe behoort. Binnen dit kenniscentrum houden sommige lectoraten zich bezig met maatschappelijke vraagstukken, terwijl ons lectoraat zich richt op arbeidsorganisaties. Mijn doel is om deze vraagstukken te verbinden, zodat het KSI een integraal expertisecentrum wordt op het gebied van sociale innovatie. Die integratie is belangrijk, want het arbeidsproces staat niet los van het maatschappelijke proces. Integendeel zelfs: willen achtergebleven groepen integreren, dan speelt arbeid daarbij een belangrijke rol. En willen organisaties verder groeien, dan hebben zij baat bij een maatschappij waarin iedereen meedoet. Heel concreet zijn we op dit vlak bezig met de opzet van het project 'Zorg, wonen en welzijn', waarvoor we samen met TNO en de Universiteit Utrecht een RAAK Pro-aanvrage voorbereiden. Dit project heeft tot doel om bestuurlijke handvatten te bieden aan gemeenten, zorginstellingen, wooncorporaties, welzijns- en jeugdzorgorganisaties om gezamenlijk inhoud te geven aan de decentralisatie van rijksoverheidstaken in het sociale domein.

 

Meer informatie